
U heeft een te oude Flash Player Klik hier om de nieuwste versie te downloaden
Bliksem beveiligingsinstallaties moeten zijn voorzien van een eigen aardingssysteem dat zonder aansluiting op het waterleidingnet of andere, toevallig aanwezige aardingen, functioneel blijft. Het aardingssysteem moet een lage, en nagenoeg gelijkblijvende aardingsweerstand (verspreidingsweerstand) hebben.
Indien het aardingssysteem tevens dienst doet als veiligheid aarde van een laagspanningsinstallatie, moet het aardingssysteem bovendien voldoen aan NEN 1010 en, indien van toepassing, NEN 3134 (NEN1010/7A3) MEDISCHE RUIMTEN en NEN 3140 De totale gemeten aardverspreidingweerstand (Ra) van het aardingssysteem ten behoeve van een bliksembeveiliging installatie mag niet hoger dan 2,5 Ω zijn. Indien de gemeten aardverspreidingweerstand (Ra) hoger dan 2,5 Ω is en maatregelen tot verlaging daarvan in economisch opzicht niet te verantwoorden zijn, moet steeds potentiaalvereffening zijn toegepast. Bij het bepalen van de aardverspreidingweerstand (Ra) moet het gehele aardingssysteem in de meting zijn betrokken, met dien verstande dat eventueel aanwezige verbindingen met aarding systemen van naburige objecten moeten zijn losgenomen, alsmede verbindingen met metalen leiding stelsels die niet tot de aarding van de bliksem beveiligingsinstallatie behoren.
Indien potentiaalvereffening wordt toegepast, is de aardingsweerstand uitsluitend van invloed op de aanrakingsspanning en de stapspanning op het niveau van het maaiveld. Als potentiaalvereffening niet mogelijk is, is een lage aardingsweerstand bovendien van groot belang om afslag te voorkomen.
De methodes die voor het meten van de aardverspreidingweerstand (Ra) van aardelektroden en andere aarding systemen in aanmerking komen, zijn deelmeting en circuitmeting.
Meetmethoden staan omschreven in bijlage D van de NEN 1014.
Bovendien moeten de afzonderlijke aardelektroden individueel aan een onderzoek zijn onderworpen;
De gemeten aardingsweerstand van een afzonderlijke aardelektrode (Ra), in Ω, mag niet hoger zijn dan: (art. 7.2.3 NEN 1014)
Hierin is Rho (r) de getalwaarde van de gemiddelde soortelijke bodemweerstand in ohm’s/meter.
Indien het niet mogelijk is de aardingsweerstand van het gehele aardingssysteem te meten, moet de vervangingsweerstand (Rv) zijn berekend uit de aardverspreidingweerstand (Ra) van de afzonderlijke aardelektroden (Ra).
Als onderdelen van aardingssystemen mogen zijn gebruikt:
a. verticale aardelektroden; (Oppervlakte aarding)
b. horizontale aardelektroden; (Diepte aarding)
c. schuin in de grond gedreven aardelektroden;
d. Afzonderlijke aardstaven in heipalen aangebracht.
e. Afzonderlijke aardstaven in de aanwezige betonconstructies en/of speciaal aangebrachte leidingen in betonconstructies.
f. bandvormige aardelektroden
g. Draadvormige aardelektroden
Elke afgaande leiding van een bliksemafleider moet op een eigen aardelektrode zijn aangesloten, tenzij er een koppel- of ringleiding aanwezig is. De leidingen tussen afgaande leidingen en aardelektroden, alsmede metalen delen die als zodanig zijn gebruikt, moeten zo rechtstreeks mogelijke verbindingen tot stand brengen.
Horizontale en verticale aardelektroden moeten ten minste 60 cm onder het maaiveld zijn aangebracht.
Aardelektroden en/of verbindingsleidingen moeten een zo groot mogelijke afstand bewaren tot andere reeds in de grond aanwezige metalen leidingen die het object niet binnenkomen, zoals kabels en metalen waterleidingbuizen. Deze afstand moet tenminste 2 m zijn. Indien dit niet mogelijk is, mag deze afstand echter tot 0,5 m zijn verkort op voorwaarde dat de aardelektrode is omgeven door een slagvast omhulsel van kunststof, dat een wanddikte van ten minste 2,5 mm heeft en dat aan weerszijden van het kruispunt ten minste 2 m lang is.
Indien de omstandigheden ter plaatse dit vereisen, mogen aardelektroden schuin in de grond zijn gedreven en al dan niet tot een stervormige groep zijn verenigd. Stervormige aarding systemen mogen ook horizontaal worden aangebracht.
Als met uitsluitend verticale aardelektroden geen toereikend lage aardingsweerstand kan worden bereikt, moeten de aardelektroden door middel van horizontale aardelektroden onderling zijn verbonden. De horizontale aardelektroden moeten daarbij zoveel mogelijk een ringleiding om het object vormen.
Bij een dergelijke combinatie van verticale en horizontale aardelektroden moeten de afzonderlijke verticale aardelektroden bij voorkeur los neembaar zijn voor inspectiedoeleinden, bijv. door het aanbrengen van inspectieputten. Indien de verbindingen niet los neembaar zijn uitgevoerd, moeten op andere plaatsen los neembare verbindingen voor inspectiedoeleinden aanwezig zijn.
Indien koppel- of ringleidingen zijn aangebracht, mogen de afgaande leidingen ook hierop zijn aangesloten; het is dan niet vereist dat de aansluitpunten van de afgaande leidingen op deze koppel- of ringleidingen precies samenvallen met de aansluitpunten van de aardelektroden daarop.
Stalen damwanden mogen deel uitmaken van een aardingssysteem indien zij een permanent karakter hebben en op voorwaarde dat de damwand op niet meer dan 20 m verwijderd is van het laagste punt van de afgaande leiding.Ontleend aan de Norm NEN 1014, "Bliksembeveiliging", november 1992 met correctieblad NEN 1014/C2 (NL).
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
